Een ervaringsverhaal van Lisette van Doorne Geplaatst op 13 september, 2021 door Nu voor Later

Off

Jan Zandijk doet in zijn column een oproep: ‘Hoe beleef jij, man, het als jouw lieve naaste psychosegevoelig is geworden?             

Mijn vader is twaalf jaar geleden overleden en kan ons niet meer vertellen hoe hij zijn enige zoon zag afglijden na zijn eerste psychose. Door de column van Jan Zandijk dacht ik terug aan de gesprekken die ik had met mijn vader. Als dochter en zus voel ik mij aangesproken om alsnog te proberen weer te geven hoe mijn vader zijn lot tegemoet trad.

Mijn herinneringen gaan terug naar mijn vader en diens zoon, mijn broer, toen 28 jaar oud. Naar een weekend in de lente in de jaren negentig bij mijn pas gepensioneerde ouders thuis. Ik bezocht hen niet om samen te genieten van de stralende zon. Ik kwam omdat ze ten einde raad waren. Ze wisten niet wat ze moesten beginnen met mijn broer. Gekleed in een sarong kon hij niet stoppen met euforisch dansen, lopen en onnavolgbaar praten. Hij was zo manisch dat hij niet meer sliep en at. Wij beseften dat er sprake was van een zware psychose, zijn eerste, en waren ontzet. Onze hoop op spoedige professionele hulp werd snel de grond in geslagen, omdat mijn broer ‘geen gevaar was voor zichzelf of een ander’. Het betekende dat mijn vader en ik afwisselend achter hem aangingen, om hem niet uit het oog te verliezen. Mijn moeder lag volkomen verlamd in bed. Toen hij kapot glas in zijn haar smeerde werd hij gedwongen opgenomen.

Niet alleen voor hem, ook voor ons als naasten is het traumatisch geweest. Te zien hoe zo’n grote sterke zoon en broer, onder luid geschreeuw door drie politiemannen en twee psychiatrisch verpleegkundigen tegen de grond wordt gewerkt en in een dwangbuis per ambulance afgevoerd. De oorverdovende stilte op het moment dat hij doorheeft machteloos te zijn tegenover de overmacht aan kracht binnen de tot dan toe veilige omgeving van zijn ouderlijk huis, zijn we nooit vergeten. Ik had mijn vader nog nooit zien huilen, maar toen wel. Totaal verslagen in de hoek van de huiskamer, verloren op de mooie antieke bank. Met zijn hoofd in zijn handen.

Vele gesprekken hebben mijn vader en ik gevoerd. Hij vroeg zich af of hij wel een goede vader was geweest, of hij niet meer ‘mannendingen’ had moeten ondernemen met zijn zoon. Eigenlijk wist hij het antwoord: zijn zoon was op jonge leeftijd al niet te bereiken. Hij riep bij mensen snel ergernis op, was eigengereid en opstandig, een eenling. ‘Hij is altijd een moeilijke jongen geweest. Ze zijn bij hem de bijsluiter vergeten’.

Toch waren mijn broer en ik beste maatjes. Bij problemen hield ik hem altijd de hand boven het hoofd. Maar toen op die dramatische dag leek er een grens gepasseerd. Het enige wat ik nog kon, uit schuldgevoel, was over zijn hoofd aaien, mijn vader kon niet meer dan sussen: ‘het is voor je eigen bestwil…’

In de loop der jaren zag ik bij mijn vader het intense verdriet, de machteloosheid en de zorgen om zijn volwassen kind. Een zoon die cum laude was afgestudeerd, maar een tweede studie niet meer afkrijgt. Een kind dat chronisch psychotisch blijft, elke zorg mijdt, verbaal en fysiek gewelddadig is en uiterst kwetsbaar. En ook: een zoon die het zijn vader kwalijk zou blijven nemen dat hij die eerste keer door diens toedoen opgenomen werd, voor gek verklaard. Zo luidde volgens hem immers het officiële vonnis. Die woede zou nooit meer weggaan.

Ondanks zijn medische kennis als apotheker heeft mijn vader de geestesziekte nooit helemaal kunnen erkennen; hij wilde blijven geloven dat het iets tijdelijks was, iets dat vanzelf weer zou genezen. Het lezen van Ypsilon Nieuws viel hem zwaar, te confronterend. Zijn angst voor de diagnose schizofrenie was te groot.

Het was op eieren lopen. Mijn ouders wilden dat mijn broer er op verjaardagen of kerst bij was, ondanks zijn moeilijke gedrag en verbale geweld. Mijn zus en ik hadden hier grote moeite mee. Alles stond in het teken van de zorg rondom mijn broer. Maar ook mijn zus en ik waren het daar niet over eens. Het was voor mijn vader verschrikkelijk om het onbegrip en de verwijdering tussen de gezinsleden te zien groeien. Trouw bleef hij zich bekommeren om zijn zoon.

Na zijn overlijden vond ik in zijn administratie een oud voorlichtingsboekje van de Stichting Nu voor Later. Achteraf blijkt dat met de informatie niets is gedaan. Het testament is door een prima notaris opgemaakt, maar er bleek geen rekening te zijn gehouden met de praktische gevolgen voor een nabestaande met ernstige psychosegevoeligheid en verstoorde gezinsdynamiek.

Dat wat ons als gezin is overkomen, heb ik voor mijn vader proberen te verwoorden. Het is mij niet gelukt het stokje van mijn vader over te nemen en daar ben ik verdrietig over. Mantelzorg voor mijn broer zou inhouden dat mijn gezinsleven zwaar onder druk zou komen te staan. Maar wat ik voor mijn broer niet kan betekenen, kan ik wél binnen mijn werk, als beschermings- en testamentair bewindvoerder bij Stichting Bewindvoering Nu voor Later. En als vrijwilliger bij Ypsilon begeleid ik met hart en ziel de lotgenotengroepen ‘kinderen van’ en ‘broers en zussen’. Het schenkt mij voldoening om met mijn kennis en ervaring mensen bij te staan die zich in eenzelfde situatie bevinden.

Lisette van Doorne